Op de drempel van het Witte Huis

Staande in het voorportaal van het Witte Huis ziet Beth hoe The Beast het terrein opdraait met daarin de nieuwe president en zijn vrouw.
Maandenlang heeft ze via de nieuwszenders zijn campagne gevolgd. Hoofdschuddend. Zo weinig is hij veranderd. Wat in de eerste termijn slechts onder de oppervlakte aanwezig was, is nu zoveel helderder en voorzien van een kader dat voorheen ontbrak. Wraak is de taal die de nieuwe president bezigt. Vergelding is waar het in deze termijn om draait.

Terwijl Melania nog bezig is zich uit de wagen te wurmen, is hij al halverwege de trap. Klaar om door te stoten en al maaiend een doorgang te forceren.
Maar op de drempel van het Witte Huis staat Beth. Wijdbeens en met haar handen in de zij blokkeert ze zijn weg.
‘Goede morgen, Mister President. Kent u me nog?’
Getergd blijft hij staan.
‘Ik ben Beth  van de Facilitaire Dienst. Vier jaar geleden heb ik u geholpen met het inpakken van de verhuisdozen. Stropdassen, MAGA-petten, kleurspoelingen, kleefpasta’s … Weet u nog? Alles wat u niet meegenomen heeft naar Mar-a-Lago, heb ik tijdelijk op zolder opgeslagen. Ergens heb ik er altijd rekening mee gehouden dat ik u nog weleens terug zou zien. En kijk, there you are again.’
‘Diefstal was het,’ zegt hij briesend. ‘En laat me er nu maar door.’
‘Een momentje, Mister President,’ zegt Beth.
Uit haar schort haalt ze een stokje, zwaait er wat mee in de lucht en murmelt een spreuk.
Als bij toverslag verschijnt er een glimlach op het gelaat van de president.
‘Nu mag u binnen,’ zegt ze. Uitnodigend doet ze een stap opzij.
Maar de president blijft staan.
‘Na u, mevrouw,’ zegt hij galant. ‘Na u.’
Proef geslaagd, denkt Beth tevreden terwijl ze voor de president uit terug het Witte Huis in loopt.

#539 Schrijvenonline.org: je hebt een bijzondere toverstok en daarmee kan je aan de slag. Wat of wie ga je omtoveren, en tot wat?

Lariekoek met Cranberriesaus

Oma wil een kerstavond zoals ze die kent uit haar jeugd. Zo eentje als in de kerstklassieker van Andy Williams, met parties for hosting, marshmallows for toasting and caroling out in the snow. Met de auto komen is enkel geoorloofd omdat er anders van het hosting parties niet veel terecht zou komen, maar verder moet alles old school. Inclusief feestkleding, kapsels en licht van echte kaarsen En vooral: geen telefoons en geen schermpjes.

Wekenlang is de hele familie bezig geweest met het in elkaar boksen van oma’s feestje voor negen personen. Nu is het zover.
Klokslag acht start oma de grammofoon. Op de klanken van Jingle Bells treedt de hele familie met frisse tegenzin de in kaarslicht badende kamer binnen.
Bij elk couvert heeft oma een naamkaartje gezet. Amy zit tegenover Howard, die ze niet kan uitstaan, en Beverly naast haar eerste liefde Jeremy, nu getrouwd met haar broer Ernest. De kleinkinderen Emmy, George en Melody zijn her en der verspreid. Oma zetelt pontificaal aan het hoofdeinde met uitzicht op de lege stoel aan de andere kant – de plaats van opa zaliger.
Na de ossenstaartsoep – een specialiteit van Beverly – wordt de gevulde kalkoen met appel, cranberrysaus en spruitjes opgediend. Zelfs wie niet van spruitjes houdt, loopt bij de aanblik het water in de mond. Ernest staat op om plechtig het feestbeest aan te snijden.
Het tafelrumoer verstomt.

Plotseling vliegt er ergens een raam open. Een koude wind steekt op en dooft in een zucht de kaarsen.
‘Wat gebeurt daar …?’ klinkt vanuit het donker verstoord oma’s stem, maar de wind is alweer gaan liggen. De kaarsen branden weer en het raam is dicht.
Alles alsof er niets is gebeurd.

Dan roept de kleine Emmy uit: ‘Kijk, daar zit iemand!’
De tafelgenoten volgen haar vinger en inderdaad, op de lege stoel zit iemand.
Met zijn hoge hoed, zijn rokkostuum en zwierig gestrikte zijden sjaal lijkt hij wel wat op een gentleman uit de Victoriaanse tijd. Maar de hoed zweeft zomaar wat in de ruimte. Waar het hoofd had moeten zitten, zit niets en uit de mouwen steken geen handen. Een oude wandelstok met zilveren knop staat uit zichzelf rechtop. De gestalte staat op.

There is nothing in the world so irresistibly contagious as laughter and good-humour,’ zegt hij.
Een windvlaag en hij is weer verdwenen.

Op een telefoon komt een melding binnen. Alle hoofden draaien naar oma, die zo rood wordt als een cranberry.
‘Iemand stuurt me een appje, geloof ik.’
Ze rommelt wat in haar handtas,  haalt er een splinternieuwe telefoon uit en kijkt naar haar scherm.
‘A merry Christmas to us all, my dears. God bless us,’ leest ze luidop voor. ‘Kindest regards, Charles Dickens.’
Even is het doodstil in de kamer.
Als oma’s mondhoeken beginnen te krullen, barst de hele familie in schaterlachen uit.

#537 – schrijvenonline
There’ll be parties for hosting, marshmallows for toasting, and caroling out in the snow
There’ll be scary ghost stories, and tales of the glories of, Christmases long, long ago.” Uit: ‘It is the most wonderfull time of the year’ van Andy Williams
.
In het Victoriaanse tijdperk (1837 – 1901) was het traditie om elkaar tijdens kerstavond spookverhalen te vertellen. Schrijf een spookverhaal, gebaseerd op de bovenstaande lyrics.

Met citaten uit ‘A Christmas Carol’ van Charles Dickens.

De PdeNK

Een pen tikt tegen een glas en op slag is iedereen stil. Allemaal kijken we naar Harry, die het voor elkaar gekregen heeft een groep van twaalf schrijvers op te trommelen.
Hij staat op, kijkt de kring rond en laat zijn ogen ten slotte op mij rusten.
‘Wil jij het verslag van deze bijeenkomst schrijven, Betty?’
In plaats van te protesteren of zelfs maar een vraag te stellen, knik ik stom en pak mijn laptop. Dat is nu eenmaal het effect dat Harry sorteert.

‘Allereerst, dank dat jullie gekomen zijn.’
Alsof je ooit een uitnodiging van Harry zou afslaan …
‘Zoals jullie weten zijn wij schrijvers eenlingen. Zwoegers op zolderkamers, gevangenen van onze verbeelding. Nachtuilen en kluizenaars die, na maanden of zelfs jaren van eenzaam ploeteren, hun hol uitkruipen in de overtuiging iets geschreven te hebben waar de hele wereld al eeuwenlang naar snakt. Iets nieuws en nooit vertoond. Niets minder dan een meesterwerk.’
We knikken allemaal en Annemie, die naast me zit, mompelt: ‘Treffend verwoord.’
‘En wat gebeurt er dan?’
Niemand antwoordt, want we weten het allemaal. En dus vat Harry het nog even voor ons samen:
‘Onze unieke, hoogstaande schrijfjuweeltjes worden geslachtofferd aan de commercie!’
‘Parels voor de zwijnen,’ roept Gerrit, wiens laatste boek geflopt is en maar moet hopen dat hij ooit nog iets uitgegeven krijgt.
‘Wie heeft dat nu níét meegemaakt …,’ zegt Harry alsof hij Gerrit niet gehoord heeft.
Vanuit mijn ooghoek zie ik dat Janneke haar vinger op wil steken maar die schielijk weer intrekt. Dit is niet het moment voor het vergaren van jaloerse blikken.
‘Daar moeten we wat aan doen!’
‘Maar wat?’ zegt Niels, schrijver van De wondere wereld van de soepstengel.
‘In actie komen. Onze stem verheffen tegen de dwingelandij van de verkoopcijfers. Schrijvers van de Lage Landen, verenigt u!’

Als één man staan we op en klimmen op onze stoelen. Als iemand ons verenigen kan, is het Harry wel.
Na een kwartiertje zijn we uitgejoeld. Hijgend ploffen we weer neer. Alleen Harry blijft nog staan.
‘Wat we nu nodig hebben is een naam, een programma en een slogan.’ zegt hij.
‘Een naam?’ zegt Dieuwke. ‘Ik heb al een naam.’
‘En een programma? Zoiets als een goed verhaal bedoel je?’ zegt Leo terwijl hij zijn ene wenkbrauw optrekt.
‘Is niet elke titel een soort slogan?’ zegt Boudewijn van Eén twee drie en Hupsakee.

‘Nu hebben we ongemerkt toch een partij opgericht,’ zeg ik en sla mijn laptop dicht.
‘De PdeNK. Partij die er nooit komt.’

Schrijvenonline.org, schrijfopdracht #493: bedenk een naam, een programma en een slogan voor een op te richten partij voor schrijvers.

Kerstverwachting

Eergisteren pas haalde ik de kerstkaarten van vorig jaar van het koordje. Een jaar hebben ze bij de haard gehangen, nu wordt het tijd voor nieuwe.

We ontvingen er inmiddels twee. Eén van de bank en één van de conciërge. Eenzaam bungelen ze aan de draad, naast zestien lege knijpertjes.

Het is al tweeëntwintig december en de postbode komt niet meer voor kerst.
Heet dat nu: afscheid nemen?

De regen valt

De regen valt
in dikke tranen uit de lucht
de dag ontroostbaar.

Het wolkengrijs
maakt kleuren dof
en dringt als fijn stof
binnen door de kieren.

Shall I compare thee to a summer’s day?
O nee!

De herinnering aan een zomerdag,
met zoet geurende korenbloemen
onder het stralend blauwe zwerk,
de zee, een zwoele zomernacht,
valt me te zwaar.

Eerder dan mijn ziel te warmen,
is in de grauwheid van de herfst,
mijn zomerliefde niet te dragen.

In de schemering verflenst ze
tot een onbereikbaar ooit.



Schrijvenonline.org opdracht #476: Schrijf een herfstklacht of een winterblues in liedvorm, handelend over onlustgevoelens die herfst- of wintermaanden oproepen. Dit kan gaan van licht chagrijn tot zware depressie.

Stapel op Zeeland

Groen en weids treft me het uitgestrekte land

Wie heeft nog tijd om
bij het open klapraam stil
te luisteren naar de regen?

Het ruisen van de zee
– cliché, cliché maar oh, zo mooi –
Golven die bruisend breken op het strand

De zon neemt met zijn gouden stralen
afscheid van het verstilde land en
zet knotwilgen in vuur en vlam

Vlak voor onze voeten springt
een hert het zandpad over
schuurt met zijn buik langs prikkeldraad

Hoog op het duin kijkt hij ons
in het volle maanlicht na

In gedachtenis

Ontredderd staat ze voor de deur. Met piekhaar en in kleren die ooit pasten.
‘Je suis seule,’ zegt ze en heft haar armen in een hulpeloos gebaar.

Samen zoeken we haar woonst op, een etage hoger, haar deur wijd open.
Ik smeer een boterham met jam, schenk haar wat water in, een glimlach en een enkel woord.
Wachtend op de thuishulp, die wel vragen stelt maar niets begrijpt.

Nu is Maud dood.
Dat horen we als ze al lang begraven is. Of haar as verstrooid …

Lekker weg in eigen land

‘Zullen we dit jaar eens lekker dicht bij huis blijven?’ had ik voorgesteld.
‘Geen stress, geen lange wachttijden voor incheckbalies of verloren koffers. En best of all, geen vliegschaamte.’
‘Prima,’ had Hans vanuit zijn luie stoel geroepen. ‘Als jij het maar regelt.’
Tuurlijk! Hans is voor de lange afstanden.
Na wat speurwerk op internet vond ik een leuk huisje in Zeeland. Een klein boerderijtje, om precies te zijn. Wat achteraf gelegen aan een stil weggetje met als enig uitzicht landerijen. Precies wat mensen uit de stad nodig hebben. En helemaal voor ons alleen.
‘Wat vind je ervan, Hans?’
‘Mij best!’

Vier weken later stouwen we de kofferbak van onze auto vol en gaan op weg, om een uurtje later aan te komen.
Opgewonden parkeer ik op het erf, naast een SUV met Duits kenteken.
Hans fronst zijn wenkbrauwen.
‘De verhuurder,’ zeg ik. ‘Die staat ons hier natuurlijk op te wachten met de sleutel.’
‘Een Duitser?’
‘Blijkbaar,’ zeg ik monter.
We stappen uit en bellen aan. Achter de voordeur horen we gejoel van kinderen. Een vrouw in korte broek doet open.
‘We zijn de huurders,’ zegt Hans en wil al naar binnen lopen, maar de vrouw blijft als een rotsblok staan.
‘De Mieters!’ roept Hans nog, alsof ze doof is.
Een onbehaaglijk gevoel kruipt in mij naar boven. Voorzichtig beroer ik zijn arm.
‘Zeg Hans,’ fluister ik, ‘ik geloof dat ik vergeten ben te boeken.’

schrijvenonline, opdracht #410: schrijf in 250 woorden hoe jouw hoofdpersoon een vakantieblunder begaat

Grondstof

Ze kijkt me aan met ogen die ooit sprankelden. Haar huid grauw, haar lach uit het gezicht verdwenen. Haar haar valt in strengen langs haar hoofd en uit haar kleren stijgt een muffe geur op.

Verwezen dwaalt ze langs gebouwen als hologige skeletten, over stenen die gisteren nog huizen waren. De stad verworden tot vijftig tinten grijs.

Ze bukt zich, schept wat steengruis in haar hand en laat het langzaam tussen haar vingers door glijden.
‘Dit is dus leven,’ zegt ze schor. ‘Stof zijn we, tot stof zullen we wederkeren.’

Het gebed van de drager

Ik ben zo moe
maar de slaap
wil niet komen.

Ik denk
aan de stenen
wegend
op mijn rug.

Voorzichtig betast ik
de blaren
in mijn handen
de wonden
op mijn stukgelopen
voeten.
Mijn spieren zijn
stram.
Ik kan niet meer.

Ik wil niet denken,
ik wil slapen want
morgen
wachten nieuwe stenen

maar de slaap
wil niet komen.

Ik draag stenen,
dag en nacht
draag ik stenen.

Wie verlost me
van de stenen
op mijn rug?