Eten na 21.56 uur

Haar naam ken ik niet, maar ik herken haar aan haar donkere krullen en haar grote stralende ogen. Al langer dan een uur heeft ze, gebogen over haar studieboeken, aan een tafel in onze bibliotheek gezeten, maar nu kijkt ze op. Zodra ik haar blik vang begint ze te praten.

‘Het is moeilijk om me goed te concentreren met die hitte,’ zegt ze. ‘En de ramadan maakt het nog extra zwaar.’

De ramadan? Mijn belangstelling is direct gewekt en ik realiseer me beschaamd dat ik nooit eerder met een moslim over deze betekenisvolle periode heb gesproken.

Ik stel wat onnozele vragen – val je er erg van af? Op welk uur mag je weer eten? En ga je dan niet veel te laat naar bed? – maar ze antwoordt me geduldig en laat me zelfs een app zien met de etenstijden volgens de vastenkalender. Die avond begint de iftar om 21.56 uur.

Pas als ze weg is bedenk ik dat ik de belangrijkste vraag niet heb gesteld.

Gelukkig krijg ik een nieuwe kans als twee weken later een moslima met haar zoon wat boeken uit de bibliotheek komt halen.

‘Hoe houdt u het vol?’ begin ik terwijl ik registreer hoe moe ze eruit ziet.

‘Het is niet moeilijk,’ zegt ze met een glimlach, ‘want God helpt me. Juist nu voel ik Hem heel dichtbij.’

Elke dag een beetje Pasen

Het is nog donker als de eerste vogels zingen

de nacht voorbij, de dag nog niet ontwaakt

achter mijn oogleden huist nog de duisternis

 

dan kriekt de ochtendzon door het gordijn naar binnen

mijn zwarte nachtgedachten lossen op in licht

een stem roept: ‘Kom, een nieuwe dag begint!’

 

Ik sla mijn ogen op, laat zacht het nachtkleed

van mijn schouders glijden

en ik sta op, het daglicht tegemoet.

 

ook verschenen op de digitale Kerkmozaïek

60 minuten zonder…

Het lijkt wel een nationale gedragscode voor wie met het openbaar vervoer reist: je stapt in, ontwaardt je O.V.-kaart, zoekt een zit- of staanplaats, haalt je smartphone tevoorschijn, veegt met je vingers over het scherm en verdwijnt met al je aandacht in wat daarop te beleven valt.

Gezeten te midden van zo’n eilandengroep vroeg ik me onlangs af hoe het er in de coupé zou uitzien als iedereen een keer die smartphone in zijn zak zou houden. Zouden we massaal onze ogen op onze schoenen richten – zoals we vroeger deden – of zouden we het aandurven over te steken naar de schoenpunten van onze medereizigers? Om van daar af langs broekspijpen en jasknopen op te klimmen. Op zoek naar andere ogen. Op weg naar een menselijk gezicht.

ook verschenen op de digitale Kerkmozaïek

Love hurts

Ik zou over liefde schrijven, maar steeds worden mijn gedachten doorkruist door inktzwarte hanenpoten die een wereld schetsen van muren, minachting en egocentrisme. In een pennenstreek worden de essentiële menselijke vrijheden, waarvan Franklin Delano Roosevelt in 1941 sprak[1] en die de basis vormen voor een veilige wereld, vertrappeld en wordt de rechtsstaat met voeten getreden. Dromen veranderd in nachtmerries, leugens als waarheid verkocht. Genadeloos wordt aan het licht gebracht hoe flinterdun onze beschaving is.

Meer dan ooit besef ik dat liefde meer is dan warme gevoelens die opbloeien bij zoetgevooisd snarenspel. Liefde is ook het delen in de pijn van mensen die radeloos een veilig heenkomen zoeken en aan wie meedogenloos de toegang wordt ontzegd, verbijstering en ongeloof wanneer de fundamenten van een leefbare samenleving doelbewust worden ondermijnd en, onder het mom van veiligheid, het eigen belang schaamteloos wordt vooropgesteld.

Die gepijnigde liefde roept op niet langer te zwijgen, maar in verweer te komen tegen de doelloze woede van een Angry Old Man en een ieder die in zijn voetsporen treedt.

In navolging van Bill de Blasio, burgemeester van New York, die zijn stad onverdroten solidair verklaart met allen die te vrezen hebben van dreiging en geweld. Of van Madeleine Albright, voormalig Amerikaans minister van Buitenlandse Zaken, die zich uit solidariteit als moslim zal laten registeren als Trump zijn registratieplannen voor moslims doorzet (dS 26-01-2017).

Liefde is meer dan warme gevoelens bij zoetgevooisd snarenspel. Vastberaden zoekt ze haar weg in de bittere ongerijmdheid van de realiteit.

 

[1] Die vier vrijheden zijn: de vrijheid van spreken en meningsuiting, de vrijheid van elk persoon om god te aanbidden op zijn eigen manier – overal in de wereld, de vrijwaring van gebrek en de vrijwaring van vrees.

Zie ook Kerkmozaïek

Woorden bij een begin

Ik houd van woorden, van zinnen die je op hun bedwelmende ritme in poëtische sferen weten te brengen en je uittillen boven de dagdagelijkse werkelijkheid. Woorden die het  ondraaglijke draagbaar maken, het onzegbare tastbaar.

Het begin van een nieuw jaar is het moment bij uitstek voor mooie woorden. Zelf schreef ik ze ook: wensen voor een goede gezondheid, liefde, geluk en vrede voor iedereen. Maar elk jaar vind ik het moeilijker iets goeds te formuleren – en dat niet alleen uit oogpunt van originaliteit. Steeds vaker vraag ik me af hoe gratuit dit soort wensen moeten klinken in de oren van zovelen die vastzitten in de brandhaarden van deze wereld, op de vlucht voor oorlog, honger en geweld. Hoe ze te rijmen zijn met de grote zorgen over ons klimaat, racisme, de wereldvrede – om maar eens wat te noemen. Geloof ik die mooie woorden zelf nog wel?

Gisteren las ik in het boek ‘Een verhaal van leven en duisternis’ van Amos Oz:

‘En eigenlijk is deze vreemde drang die ik had toen ik klein was – de behoefte om een nieuwe kans te geven aan wat nooit meer een nieuwe kans zou krijgen – ook nu nog een van mijn drijfveren telkens als ik een verhaal ga schrijven.’

Die zin zette me aan het denken.

Wat met het verleden kan, kan nog beter met de toekomst: woorden spreken die hoop en nieuwe kansen bieden aan wat uitzichtloos en kansloos lijkt.

Wie niets meer weet te wensen, heeft de hoop opgegeven.

Dus laten we elkaar alle goeds toewensen en er vervolgens werk van maken.

In die geest wens ik een ieder die dit leest een in alle opzichten vreugdevol nieuw jaar.

Stapels boeken in een klein kastje

Iets meer dan twee jaar geleden kocht ik een e-reader. Niet omdat ik er per se een wilde hebben, maar uit nieuwsgierigheid. En omdat ik niet vroegtijdig al een vreemdeling wilde zijn in digi-land.

Ik laadde hem op en zocht op internet naar gratis e-books – je bent Nederlander of je bent het niet. Het eerste boek dat ik erop zette was ‘Dik Trom en zijn dorpsgenoten’ van C. Joh. Kieviet. Een boek dat ik vroeger vooral zo mooi vond omdat mijn oma het in haar jonge jaren als kindermeisje had voorgelezen. Mijn gedownloade versie was de 5e druk uit 1930. Ik begreep direct de diepe wijsheid van Mattheüs 9:17.

Gelukkig bood de bibliotheek uitkomst. Een van de boeken die ik in mijn digitale boekenkast zette, was ‘Een vrouw op de vlucht voor een bericht’ van David Grossman. In een mum van tijd een boek van meer dan 600 bladzijden op een tablet van nog geen centimeter dikte.

Hoewel een e-reader daarmee natuurlijk hét medium is om stapels boeken mee op reis te nemen, ben ik er om een heel andere reden voor gevallen: er zit een lampje in. Op warme zomeravonden, als het te donker wordt om nog buiten te lezen maar het nog te aangenaam is om al naar binnen te gaan, knip je het lichtje aan en je kunt lezen tot diep in de nacht.

Heeft het papieren boek nu voor mij afgedaan?

Geenszins! Soms wil ik gewoon wat door mijn boek bladeren, teruglezen of vooruit. Dat gaat met een e-book niet zo gemakkelijk. En ik mis de sporen op het papier die me niet alleen vertellen dat ik het gelezen heb, maar me ook herinneren aan wáár ik het las en wat het me deed: resten van koekkruimels, gesmolten chocolade. Een wijnvlek, een platgedrukt vliegje dat net niet aan het omslaan van de bladzijde had weten te ontkomen. Ezelsoren, sporen van tranen misschien.

In een e-book kan de schenker op het titelblad geen boodschap achterlaten, de schrijver geen signatuur.

De e-reader is mijn handzame, lichtgewicht reisgenoot – ik zou hem niet graag missen.

Maar als ik kiezen moet? Geef mij dan maar een boek!

Dit artikel is verschenen in Kerkmozaïek, november 2016