Spartelen

Op een zonnige zomerdag vloog een zwart kevertje tegen de parasol, tuimelde langs het scherm naar beneden en belandde, op zijn rug, op de stalen sierbalk van het terras. Al spartelend wist het zich om te draaien, maar zijn pootjes kregen geen grip op het gladde staal.  

Pardoes gleed het van de balk in een richel, waar het werd opgevangen in een net van ragfijne draden. Een spinnetje spoedde zich naar de plek des onheils en zwachtelde genadeloos het zwarte kevertje in.

Te grazen

Het gekrijs van vogels lokt me naar buiten.
Staande op mijn balkon zie ik hoe op het gras beneden mij een houtduif, weerloos op zijn rug, belaagd wordt door een bende kraaien.
Donsveertjes vliegen in het rond, zijn kaal gepikte hals rozig bebloed.
Wanhopig wapperend met zijn vleugels weet hij zich om te draaien en weg te vluchten naar de bomen aan de overkant.

Het is maar voor even. Dan stijgen ook de zwarte jagers op en zetten de achtervolging in.
En rusten niet voordat het krijten van de duif is weggestorven.