Spartelen

Op een zonnige zomerdag vloog een zwart kevertje tegen de parasol, tuimelde langs het scherm naar beneden en belandde, op zijn rug, op de stalen sierbalk van het terras. Al spartelend wist het zich om te draaien, maar zijn pootjes kregen geen grip op het gladde staal.  

Pardoes gleed het van de balk in een richel, waar het werd opgevangen in een net van ragfijne draden. Een spinnetje spoedde zich naar de plek des onheils en zwachtelde genadeloos het zwarte kevertje in.

Te grazen

Het gekrijs van vogels lokt me naar buiten.
Staande op mijn balkon zie ik hoe op het gras beneden mij een houtduif, weerloos op zijn rug, belaagd wordt door een bende kraaien.
Donsveertjes vliegen in het rond, zijn kaal gepikte hals rozig bebloed.
Wanhopig wapperend met zijn vleugels weet hij zich om te draaien en weg te vluchten naar de bomen aan de overkant.

Het is maar voor even. Dan stijgen ook de zwarte jagers op en zetten de achtervolging in.
En rusten niet voordat het krijten van de duif is weggestorven.

Trouwdag

Haar ogen strelen de japon. Met bevende vingers maakt ze de rits los en neemt hem van de hanger. Legt hem voorzichtig op bed, als was het haar geliefde.

Ze stapt uit haar nachtkleed en trekt de japon aan, doet geen moeite de rits te sluiten. Soepel valt de ivoor zijden stof om haar heen.

Draaiend voor de spiegel denkt ze zich zestig jaar jonger. Ze straalt. Straks zal hij komen.

Dan zet ze zich in een fauteuil bij het raam, drapeert de jurk over haar knieën en wacht en wacht en wacht …

Het geheim van de vlierbes

Ik loop het bospad af en merk niet dat mijn handen verschrompeld zijn tot vuisten.

Dan zie ik de vlierboom. Aan het eind van het pad staat ze, midden tussen de andere bomen, uitbundig te bloeien.

Zachtjes loop ik op haar toe, open mijn handen en reik, staande op de tippen van mijn tenen, naar een van haar takken. Trek hem naar me toe en verberg mijn gezicht in de geurige bloesem.

Mijn spieren ontkrampen en dankbaar snuif ik het zoete lieve leven in.

Het smalste stuk

Hij ergert zich aan engtes.

Bushaltes met teveel wachtende reizigers op te smalle trottoirs, te nauwe doorgangen in de supermarkt waar pallets en winkelwagens hem hinderlijk in de weg staan. Koffers in het gangpad, schoenen op de trap. En nu sta ík weer eens de opening van de keukendeur te blokkeren.
‘Waarom staat iedereen altijd op het smalste stuk?’ moppert hij.
Maar ik begin te stralen, strek mijn armen naar hem uit en zeg, terwijl ik hem omhels:
‘Niets liever dan jou tegenkomen op het smalste stuk!’

De gluurder

De mail van de juf aan de bibliotheek was duidelijk:

Een oude man aan de overkant schoot vanuit zijn raam plaatjes van onze klas toen we de  bieb verlieten. We schakelen de politie in.

‘Ik zal met hem gaan praten,’ mailde ik terug.

Nu zit ik met haar klacht in zijn woonkamer. Over zijn bril heen kijkt hij me aan met een mengeling van verbazing en verdriet.

‘Mijn vader doet geen kwaad,’ komt zijn dochter tussenbeide en in haar ogen deemstert spijt.

‘Zijn herinneringen zitten in de foto’s. Zonder die foto’s is hij zijn geheugen kwijt.’

Geluksmuntje

Met een metaaldetector in de ene en een schepje in de andere hand zoekt hij de bosgrond af.

‘Wat zoekt u?’ vraag ik.

‘Ik zoek munten,’ antwoordt hij en uit zijn accent begrijp ik dat hij niet van hier is.

‘Heeft u al veel gevonden?’

Hij legt zijn gereedschap neer en diept uit zijn zak wat kleingeld op. Kiest een 50-centsstuk uit en steekt het me toe.

‘Voor u,’ zegt hij simpelweg.

Met een glimlach neem ik het aan en zeg:

‘Gelukkig nieuwjaar.’

Vogel voor de kat

Ze ligt op het tuinpad. Op haar zij. Niets aan haar beweegt. Alleen haar ene oogje gaat even open en weer dicht.

Voorzichtig neem ik haar in mijn hand en voel hoe haar hartje jaagt. Vol angstig leven is ze, maar wegvliegen kan ze nog niet.

Van een rieten mandje maak ik een nestje en vlij haar er zachtjes in. Stel haar veilig voor de kat. In de verte hoor ik haar vriendjes kwetteren.

Dan richt ze zich op en strijkt haar vleugels glad. Ze laat een windje, springt het mandje uit en verdwijnt onder de hortensia.

IJsklontjes tikkelend tegen het glas

‘Als je het hoofd maar koel houdt.’ Puffend veegt ze het zweet van haar gezicht.
Ik nip van mijn muntthee en denk aan ijsklontjes tikkelend tegen het glas, bevroren rivieren, eindeloze sneeuwvlaktes met poolhonden die de rijp uit hun vacht schudden, …
Denken aan koude dingen helpt.

Lui pak ik de krant en zie hoe een afgebroken ijsschots hoog uittorent boven een dorpje in Groenland.
Zelfs het nieuws doet mee, denk ik nog loom.
Dan realiseer ik me wat ik daar lees. En kan ik opnieuw beginnen met het denken aan koude dingen.

Carolien

‘Dag Harry, dit is Carolien. Zo Carolien, dit is je vader.’
Als vanuit het niets toverde ze een pukkelig wezen tevoorschijn.
‘Ze wilde het zelf,’ beet ze hem toe en verliet daarna op hoge hakken het cafeetje.
‘Nou, ga dan maar zitten,’ zei hij en onwillekeurig zocht hij in haar gezicht naar iets wat op hem leek.
Hij hád geen dochter. Ook geen zoon trouwens. Na Gerda had hij met niemand ooit nog iets gehad.
Carolien keek hem vorsend aan, alsof ze een besluit moest nemen.
‘Nou pa,’ zei ze tenslotte, ‘ik lust wel cola.’