Rozenknop

We hebben gegeten, gedronken en gevreeën,
de lakens afgehaald, de glazen omgespoeld,
de vuile borden op het aanrecht neergezet.

We hebben de koffer ingepakt, onze schoenen
aangedaan de deur achter ons dicht getrokken.

Hand in hand zijn we naar het station gelopen.
Toen de trein kwam, kusten we elkaar tot ziens
en in jouw hand vond ik een rozenknop.

In de zachte bries

De wekker laat ons nog wat slapen
al tikt de zon speels op het raam
en is de dag alvast begonnen
wij doen alles een uurtje later

De straten leger
geen kinderstemmen op het plein
geen schoolbel en geen lange rijen
de files staan nu in het zuiden

Ik hoor de vogels in de stad
en ruik de geur van vlinderstruiken
het ruisen van de populier

Nog af en toe wordt zomerstilte
vermengd met bruut verkeersgedruis
maar dan suist weer een zachte bries

Zouden wij – als Elia eens –
God in dat zacht gefluister
kunnen vinden?

De verdoofde stad – 22 maart 2016

het komt goed, zegt ze juist voor we afscheid nemen
en ik de stad instap
die ik zojuist nog dacht te kennen
maar die eensklaps een vreemde is

de straten leger, de stemmen stiller ik
zie onbekenden aan en
kan feilloos hun gedachten lezen

het komt goed, zegt ze, we laten ons niet kisten
maar hoop vindt nog geen grond in mij

langs wegen van vervreemding loop ik
te zoeken naar woorden
maar vind ze niet

© maart 2016

Gedichtendag: Bibbeleboek

Een boek maakt me blij
een boek doet me wenen,
een boek laat me dwalen
in het diepst van mijn ziel

Een boek laat me kijken
door andermans ogen,
een boek laat me kruipen
in andermans hoofd

Een boek geeft me vleugels
voert me mee, laat me zweven.
Een boek woelt me los
uit mijn kleine bestaan

Een boek toont me
lengte en breedte en diepte,
een boek geeft me ruimte
vertelstof, verstaan.

Een boek is beschreven papier
in een omslag,
genummerd, geletterd
een titel, een naam.

Een boek geeft me woorden
voor wat niet is te vatten,
hoe zouden we zonder boeken
bestaan?

© Annet Buurman, 06-2014

Thuis

Ze heeft de zon op haar gezicht. Haar ogen glanzen.
Haar mond lijkt roder, maar hij ziet het niet.
Kijkt uit het raam en volgt het grillig spoor van regendruppels.

Zij volgt zijn blik, probeert hem in de spiegeling te vangen.
Hij merkt het niet.

Dan zoekt haar knie de zijne.
Ze raakt hem aan en plotseling is hij bij haar.
Koestert hij zich in de warmte van haar stralen.

En in haar ogen komt hij thuis.