De jas

Slap als een dweil en met een hoofd zo zwaar als lood keek hij naar de jas die aan zijn kapstok hing. Waren de boorden altijd al zo versleten? En waar kwamen die vlekken op zijn mouw vandaan? Zacht streek hij met zijn hand over de rug van de mantel. Nam hem van de kapstok en rook in de kraag de geur van het café waar hij gisteren met zijn volle verstand was binnen gelopen en wat uren later in benevelde toestand weer vertrokken.

Zijn vingers vonden de plooien van de zakken, schuchter gleden ze naar binnen. Betraden ongevraagd de intieme zone van een vreemde – want dat was hem al tastend duidelijk geworden: dit was niet zijn jas.

Gerookte zalm met groentjes

Hij had me uitgenodigd voor een lunch in een van die restaurantjes op de Grote Markt. De zon scheen, de temperatuur was aangenaam, dus kozen we voor een tafeltje op het terras. Ik hoefde niet op de prijs te letten, zei hij, dus nam ik een biertje van de tap en een broodje gerookte zalm met groentjes – niet echt duur maar toch ook niet het allergoedkoopste. Hij bestelde hetzelfde.

We haalden wat oude herinneringen op, informeerden naar wederzijdse families, en namen ons voor wat vaker af te spreken.

De glazen waren leeg en op de borden prijkte alleen nog wat garnituur.

‘Nou, bedankt,’ zei ik en stond al half op van mijn stoel.

‘Ho, wacht even,’ zei hij gejaagd, ‘we moeten nog betalen.’

‘Jij hebt mij toch uitgenodigd?’

‘Ik heb geen geld bij me.’

‘Geen géld bij je?’

‘Eerlijk gezegd heb ik nooit geld bij me.’

Nu pas realiseerde ik me dat hij, in vergelijking me de succesverhalen die hij zojuist had opgedist, er nogal sjofel bijliep.

‘Hoe vaak heb je dit al geflikt?’

‘Ik ben op de helft van klas 5B. Maar ik ben een paar keer blijven zitten, dus…’

‘Ben je gek geworden?’ riep ik uit, maar toch trok ik mijn portemonnee.

‘En als ik de anderen inlicht?’

Nu verscheen er een lach op zijn gezicht.

‘Wist jíj het?’

Rozenknop

We hebben gegeten, gedronken en gevreeën,

de lakens afgehaald, de glazen omgespoeld,

de vuile borden op het aanrecht neergezet.

 

We hebben de koffer ingepakt, onze schoenen

aangedaan de deur achter ons dicht getrokken.

 

Hand in hand zijn we naar het station gelopen.

Toen de trein kwam, kusten we elkaar tot ziens

en in jouw hand vond ik een rozenknop.

In de zachte bries

De wekker laat ons nog wat slapen

al tikt de zon speels op het raam

en is de dag alvast begonnen

wij doen alles een uurtje later

 

De straten leger

geen kinderstemmen op het plein

geen schoolbel en geen lange rijen

de files staan nu in het zuiden

 

Ik hoor de vogels in de stad

en ruik de geur van vlinderstruiken

het ruisen van de populier

 

Nog af en toe wordt zomerstilte

vermengd met bruut verkeersgedruis

maar dan suist weer een zachte bries

 

Zouden wij – als Elia eens –

God in dat zacht gefluister

kunnen vinden?

Russische zomers

‘Mag ik u iets vragen?’ zegt de man.

Hij laat me geen kans om ja of nee te zeggen, maar steekt direct van wal: ‘Weet u dat de zomers in Rusland zeer warm zijn?’

Ik ben hem eerder tegengekomen. Ook toen begon hij zonder ophouden te praten. Over ecologie, de toestand van de wereld. De slechte invloed van de mens op het klimaat.

‘Wilt u misschien een eindje met me oplopen?’ stel ik dus voor. Hij knikt – blijkbaar vindt hij dat leuker dan zelf ergens naartoe te gaan.

Al stappend voert hij me opnieuw de aardbol over. Van de Russische zomers naar overstromingsgebieden in Cambodja en Vietnam, van de Belgische kust naar bamboekwekerijen in de Lage Landen.

Bij het kruispunt blijven we staan. Verontschuldigend wijs ik naar het groene licht, maar hij blijft praten. Ik geef hem twee lichten de tijd. Bij de derde keer groen zet ik een voet op het zebrapad.

Snel spuit hij nog twee zinnen. Juist voor het rood wordt zwaai ik hem gedag.

Vanaf de overkant zie ik hoe hij zijn weg vervolgt. Weer andere mensen tegenkomt. Nieuwsgierig houd ik mijn pas in en kijk of hij ook hen met zijn verhalen zal bestoken.

Rozenknop

We hebben gegeten, gedronken en gevreeën,

de lakens afgehaald, de glazen omgespoeld,

de vuile borden op het aanrecht neergezet.

 

We hebben de koffer ingepakt, onze schoenen

aangedaan de deur achter ons dicht getrokken.

 

Hand in hand zijn we naar het station gelopen.

Toen de trein kwam, kusten we elkaar tot ziens

en in jouw hand vond ik een rozenknop.

Spullenhulp (4)

Mijn ontspulwoede was langzaam maar zeker gesmoord in de zomerhitte. Dat dacht ik tenminste. Totdat er op een lome avond in augustus een minuscuul beestje over een van mijn keukenkastjes kroop. En ik er daarna ook één op de tegels zag lopen. En ín het kastje.

Ik determineerde de beestjes tot op het bot: bruin schildje, zes á acht minieme pootjes, een lengte van ongeveer 2 millimeter. Met die gegevens toog ik naar de computer, op zoek naar afbeeldingen van ongedierte in de keuken. Onze huisgenootjes leken nog het meest op een meeltor. Ongevaarlijk, maar je wilt ze toch liever niet in je spaghetti.

Dus haalde ik één voor één mijn keukenkastjes leeg, sopte, rangeerde, gooide weg en zette weer terug. Kocht de volgende dag wat stapelbare bewaardozen en deed daar mijn hele pastavoorraad in.

Mijn kastjes zien er nu prachtig uit. Bijna maakte ik er een foto van, maar bedacht me juist op tijd. Want wat moet ik in vredesnaam met al die foto’s?

Parade-perikelen

Brussels politiechef Guido Van Wijmersch laat in De Standaard van vandaag optekenen dat hij wil dat iedereen donderdag (21 juli – AB) ondanks de terreurdreiging naar de hoofdstad afzakt. Thuisblijven staat volgens hem gelijk aan toegeven aan Islamitische Staat. ‘En dat mogen we nooit doen.’

Maar wat is er eigenlijk mis met bang zijn?

‘Bang zijn is niet slecht. Het is een gezonde emotie,’ zegt kinderpsychiater Peter Adriaenssens in dezelfde krant.

Angst maakt alert, fungeert als antenne voor gevaar. Zolang het niet ontspoort, kan angst een goede raadgever zijn.

Wie vanwege de recente aanslagen grote menigten liever mijdt, geeft daarmee niet automatisch toe aan IS. Eerder weegt hij af of het bijwonen van een – zwaar beveiligde – militaire parade wel opweegt tegen het risico slachtoffer te worden van een aanslag.

Zo bezien geen moeilijk afweging, lijkt me.Belgian_colours_in_heart_shape

20 juli 2016

Spullenhulp (3)

Ik ging alleen maar even kíjken in die kledingwinkel. Gewoon wat langs de rekken lopen, verder niets. Maar vijf minuten later sta ik al met twee broeken en een jurk in een pashokje. Flink afgeprijsd, dat wel.

Een broek heb ik min of meer nodig, die jurk is alleen om even te kijken hoe hij staat.

Hij staat me geweldig. Valt soepel, accentueert wat hij moet accentueren en verdoezelt wat hij moet verdoezelen. En wat kleurt hij mooi bij mijn grijze haar!

Uit alle macht probeer ik mezelf terug te fluiten: moet je die jurk alleen maar hebben omdat hij voor jou lijkt te zijn gemaakt? (ja!). Omdat hij zo goedkoop is? (natuurlijk, zo’n jurk vind ik nergens meer voor die prijs). En wanneer draag je zoiets? (moet ik dat echt nú al weten?).

Maar dan doemt de enige vraag op die er echt toe doet: was je niet aan het ontspullen?

Verslagen verdwijn ik achter het gordijn, trek de jurk uit en hang hem weer in het rek.

Maar doe mezelf een belofte: als ik spijt krijg, kom ik terug.

©2016, Annet Buurman

Spullenhulp (2)

Ik begon mijn ontspul-project bij twee kratten vol boeken en papieren die sinds vorig jaar al genomineerd waren het pand te verlaten. Tegen het advies van de opruimgoeroes in spitte ik ze toch nog even door en kwam leuke dingen tegen. Zonder wroeging zette ik een boek van Simon Wiesenthal – ‘Vlucht voor het noodlot’- en de fabels van La Fontaine weer terug in de boekenkast, ook al had ik ze geen moment gemist.

Een brief van Libelle, geschreven in 1986, met de mededeling dat de redactie de door mij ingestuurde kortverhalen wel aardig vond maar wat te kort voor publicatie, bracht me op een idee. Wie weet zien ze wel wat in een  novelle…

@ juni 2016, Annet Buurman