Spullenhulp (1)

Er is een nieuw maatschappelijk probleem gedefinieerd: we hebben teveel spullen. Zoveel zelfs, dat we erin dreigen te verzwelgen. Er moet dus worden opgeruimd.

Maar opruimen klinkt niet erg sexy. Slimme geesten hebben daar iets op gevonden, een simpel doch trendy werkwoord dat precies zegt wat het is maar dat desondanks met de nodige psychologische onderbouwing op wetenschappelijk niveau wordt getild. Ontspullen.

De boeken die er inmiddels over verschenen zijn beloven een opgeruimd hoofd in een ontspuld huis.

En het wérkt: waar ik bij opruimen bij voorbaat al door futloosheid wordt geveld, vervult ontspullen me met onvermoede energie.

Ik geloof erin. Ik ga eraan beginnen!vuilniszak

© Annet Buurman, mei 2016

Waar gebeurd

Het was in de tijd van vóór de grote aanslagen, toen er op het Zuidstation in Brussel nog geen militairen patrouilleerden en je alleen moest oppassen voor zakkenrollers.

In afwachting van mijn trein had ik me aan een tafeltje gezet in één van die kleine coffeeshops naast de aankomst- en vertrekhal en me te goed gedaan aan een  cappuccino. Juist wilde ik opstaan toen er een man op me toekwam. Hij zag er wat verfomfaaid uit.

‘Mag ik bij u komen zitten?’ vroeg hij.

Nog voor ik ‘nee’ had kunnen zeggen, was hij al bij me aangeschoven.

Hij begroef zijn handen in zijn haar en zuchtte.

‘Al vier dagen voel ik geen angst,’zei hij na een poosje. ‘En ik wil weten wat  daarvan de bedoeling is.’

Verwachtingsvol keek hij me aan.

‘Ik begrijp het niet,’ vervolgde hij toen ik bleef zwijgen. ‘Want ik ben altijd bang.’

Koortsachtig zocht ik naar iets  te zeggen.

‘Misschien is er geen bedoeling,’ probeerde ik.

Zijn donkerbruine ogen klaarden op.

‘Dat is het!’ riep hij uit.

Hij stond op, schudde blij mijn hand en liep met verende tred de bar uit.

 

© april 2016

Iets geks

Er was iets geks met die kamer van mijn vader. Mijn moeder kwam er nooit, zelfs niet om schoon te maken. Ook mij verbood ze om hem te betreden. Elke zaterdag zette ze zwijgend een emmer sop en een zwabber voor de deur, en hing ze een stofdoek over de deurklink. Mijn vader nam dat dan mee naar binnen. Aan het eind van de ochtend zette hij alles weer exact zo terug als hij het aangetroffen had en ruimde mijn moeder de boel weer op. Maar voor ze het water door de put gooide, controleerde ze altijd of het vuil was en de stofdoek sloeg ze zo driftig uit dat hij daar meer van sleet dan van het hele stoffen zelf. Meestal maakte mijn vader zich spoorslags uit de voeten, maar soms bleef hij staan en sloeg haar van op een afstand gade. Dan zag hij eruit alsof hij zelf uitgeslagen werd.

Uit: ‘Valavond’

Weg

In de coupé klonken de gebruikelijke geluiden: geritsel van kranten, het getik van vingers op de toetsen van een laptop, een mobieltje dat afging en twee meiden die hun huiswerk en de leraren op school bespraken. Tegenover hen zat een man rustig in een tijdschrift te bladeren.
De deur van de coupé werd opengeschoven en twee conducteurs betraden de coupé.
‘Kaartjes alstublieft.’

De hele treincoupé kwam in beweging. Ook de meisjes diepten, al babbelend, hun plaatsbewijzen op. Maar plotseling stokte het gesprek en keken ze voor het eerst echt naar de man. Die leek te zijn verstijfd. Het enige wat aan hem bewoog was zijn gezicht. Of, beter gezegd, een deel van zijn gezicht. Zijn mond vertrok onafgebroken in een grimas, maar zijn ogen lachten niet mee. Staarden niets ziend in de verte.
‘Meneer,’ zei één van de meisjes zacht. ‘De conducteur komt eraan.’
‘Maar hij verroerde zich niet. Bleef zitten als een wassen beeld, met alleen die grimas en die nietsziende ogen.’
‘Hij doet raar,’ zei het andere meisje verschrikt.
‘Hij heeft een fugue denk ik. Daar heb ik weleens iets over gelezen.’

De conducteur stond nu naast hen. Ze toonden hem hun abonnement. Toen keken ze alle drie naar de man die niet bewoog en niets zag. Alleen zijn mond in een grimas trok.
‘Hij heeft een fugue denk ik,’ zei het meisje weer. ‘Dat gaat vanzelf weer over.’
De conducteur knikte. ‘Dan laten we hem maar.’
Toen de conducteurs het rijtuig aan de andere kant verlieten, ontwaakte de man als bij toverslag. Hij glimlachte naar de meisjes en deze keer deden zijn ogen wel mee.

‘Bedankt,’ zei hij toen. ‘Ik koop zelden een kaartje, maar dit werkt altijd.’

Kerstknaller

Ella vond de vraag ‘Wat ga jij doen met de kerstdagen?’ de meest ergerlijke van de decembermaand. Meestal kon ze die wel ontwijken, behalve op de laatste werkdag voor Kerst. Tegen drieën werden de computers afgesloten, wat tafels tegen elkaar geschoven en stoelen eromheen gezet. Dan sloten de medewerkers van het bankfiliaal, onder het genot van een glaasje cava, het jaar af en wisselden ze opgewonden hun plannen voor de komende dagen uit. En zag Ella die vraag door de kring sluipen totdat hij bij haar was en iedereen stil viel om haar met hoogrode kleur te horen mompelen: ‘Ik weet het nog niet.’

Maar dit jaar zou het anders gaan. Dit jaar had ze zich goed op die vraag voorbereid en, speciaal voor deze gelegenheid, een kersttrip naar Londen geboekt. Vertrek op Kerstavond en tweede kerstdag terug. De koffers stonden al ingepakt. Straks snel naar huis, alleen nog een hapje eten en dan hup met de taxi naar de boot. Maar eerst nog vertellen…

Om drie uur zaten ze allemaal rond de tafel en passeerden ouders, kinderen en skivakanties weer de revue.

‘En jij, Ella?’ vroeg Joost, maar aan de overkant van de tafel begon iemand over zijn kerstdiner.

‘Naar Londen,’ zei Ella zo zacht dat niemand haar verstond.

Er werd gelachen, nog eens bijgeschonken. Haar momentum was voorbij.

Toen hief ze haar hand en liet hem met een knal op tafel neerkomen.

‘IK GA NAAR LONDEN!’

Ze stond op en verliet zonder nog om te kijken het kantoor.

Terrasje pikken

‘Hé, hallo!’
Ik kijk op van mijn glas vers frambozensap naar een lachend gezicht met zonnebril onder een breedgerande strohoed.
‘Je herkent me niet, hè?’
Met een brede armzwaai doet ze haar bril af.
‘Ik ben het!’
Ik zie het nog steeds niet.
‘José!’
‘Ah, José,’ zeg ik en ik hoop dat ze de aarzeling in mijn stem niet hoort.
‘Hoe ís het met jou?’
‘Goed,’ zeg ik. Geen idee wie het is.
‘Wat doe jij tegenwoordig? Mag ik erbij komen zitten?’
Ze trekt een stoel naar zich toe voor ik nee kan zeggen. Als ik dat al gedurfd had trouwens.
‘Ik ben freelancer,’ zeg ik verbouwereerd.
‘Interessant zeg. In welke sector?’ Ze wenkt een ober en bestelt een Campari Tonic.
Ik heb nu twee mogelijkheden. Liegen of de waarheid zeggen.
‘Ik zit in het huishoudmanagement.’
‘Ben jij zo iemand die je kunt inhuren voor de was, de strijk en de boodschappen! En heb je veel adressen?’
‘Nee, niet zoveel. Eén om precies te zijn.’
José gooit haar hoofd achterover en schatert het uit.
‘Je bent gewoon huisvrouw! O Maaike, wat zeg je dat grappig.’
Dit is mijn kans.
‘Maaike?’ zeg ik zo verbaasd mogelijk. ‘Ik heet helemaal geen Maaike.’
‘Echt niet? O sorry! Ik dacht echt dat je Maaike was.’
‘Geeft niks hoor. Een vergissing is menselijk.’
José zet haar bril terug op haar vuurrode gezicht, staat op en koerst tussen de tafeltjes door naar de verste uithoek van het terras. De ober volgt haar met het glas Campari.

Terwijl ik haar nakijk, gaat mijn mobieltje. Ik open het klepje en zie dat het Robert is.
‘Dag lieverd,’ zeg ik blij. ‘Met Maaike.’

De ochtendstond in 84 woorden

Ik ben vaag wakker en heb nog geen besef van tijd. Maar als het alarm afgaat weet ik precies hoe laat het is. Mijn man geeft me een kus en strekt zijn hand uit naar de radio. Een stem zegt zacht dat de sociale partners een akkoord hebben gesloten. Wie Belgisch sportman van het jaar geworden is versta ik niet. Nog voor het weerbericht begint zwaai ik mijn benen uit het bed. Ik zie straks zelf wel of het gaat vriezen of gaat dooien.

Kat- en muisspel

Het is nog vroeg in de ochtend, maar toch staat de deur van het huis aan het eind van de weg al op een kier. Of nou ja, min of meer op een kier. Goed beschouwd staat hij niet op een kier, maar gaat hij gewoon niet dicht. Omdat er een schoen tussen ligt. Met daarin een voet die overgaat in een been met daarnaast het andere been dat in een rare kromming ligt. Maar dat zie ik pas als ik het pad opgestapt ben en voorzichtig de deur wat verder open heb geduwd. Lees verder “Kat- en muisspel”

Uitgelicht

Een sprookje van Grim

Op de golvenwebsite golven

Er was eens een jongetje, klein en licht.
Op vleugels van gouddraad zweefde hij
door de ruimte, op zoek naar
een plek om te wonen.

Hij vloog om de zon,
langs manen en sterren,
maar wat hij zocht vond hij niet.

Toen zag hij de blauwe planeet.
Zijn ogen begonnen te stralen
en hij fluisterde tegen zijn vleugels:
‘Vlug, breng me erheen!’

Dat deden de vleugels.
De zon was warm en de hemel zo licht.
En de zee, de zee was zo blauw.
Het jongetje strekte zijn armpjes al uit.

Er was ook een vrouw.
Ze stond op het strand
en ze schreeuwde.
Maar het was al te laat.
De zee trok het jongetje mee.

De vrouw weende
en smeekte de zee:
‘Breng hem terug!’

En de zee deed wat ze hem vroeg,
droeg het op golven aan land.

Legde het zacht aan haar voeten.

Annet Buurman

Op 2 september 2015 spoelde Aylan Kurdi aan op het strand van Bodrum, Turkije