Appeltaart

De tafel was gedekt. Het zilver blonk en de kristallen glazen twinkelden in het kaarslicht.
Op hun stoeltjes zaten zeven kleine mannetjes met gekamde baarden en rammelende magen te wachten op de laatste gast. Waar bleef dat mens?
Sneeuwwitje wierp een blik in de spiegel en zag dat ze nog steeds de mooiste was.
‘Wat eten we eigenlijk?’ riep ze naar de keuken.
‘Koninginnensoep, kalkoendij, cranberrysaus en puree met erwtjes,’ riep de prins terug.‘Jippie, mijn lievelingseten! En wat hebben we als dessert?’
‘Je stiefmoeder neemt een lekker appeltaartje mee.’

Opdracht #275 schrijvenonline.org: beschrijf een ongewone kerst met in de hoofdrol een sprookjesfiguur of een stripheld.

Hemels theetje

Je zult me vast niet geloven. Ik geloof het zelf nauwelijks. Dus ik snap het wel als je me voor gek verklaart, rijp voor de psychiater. Maar wat ik nú heb meegemaakt …

Ik heb zo’n theepot met een dubbele wand. Zo’n glimmende, weet je wel, zo een waarin je je spiegelbeeld kunt zien. Een beetje vervormd natuurlijk – je krijgt zo’n langgerekt hoofd en je lichaam loopt taps toe – maar je ziet jezelf en niemand anders. Behalve vanmiddag dus.

Ik zat aan de eettafel, wilde mezelf een glas thee inschenken en ineens hoorde ik: ‘Ik lust ook wel.’ Ik schrok me een ongeluk, zette de pot neer en keek ernaar; in plaats van mezelf ontwaarde ik het gezicht van mijn oma.

Je denkt natuurlijk dat ik me vergiste, dat ik misschien veel op haar lijk. Of dat ik droomde, hoe vaak gebeurt het niet dat je een droom nauwelijks van de realiteit kunt onderscheiden? Maar toen zei ze: ‘Je hoeft geen extra glas te halen, hoor. Ik drink wel uit mijn eigen kopje.’

Ze stak haar hand uit de pot en zette een porseleinen kop en schotel voor mijn neus. Verbouwereerd schonk ik in. We babbelden wat over vroeger en over hoe het nu met haar gaat daar boven  – kon niet beter, volgens haar. En toen bracht ze het kopje naar haar mond en nipte ervan. Ik daarentegen kreeg geen slok door mijn keel.

Toen het leeg was, zei ze: ‘Zo ik ga maar weer.’

Ze verdween, maar liet haar kopje achter.

Opdracht #274 Schrijvenonline. org: schrijf een verhaal van 300 woorden in onze normale wereld, maar waarin iets gebeurt dat helemaal niet kan.

Doodgaan in drie bedrijven

Voor de tweede keer dat jaar was hij aanwezig bij zijn eigen begrafenis. Zo voelde het althans.

Eerst het afscheid bij de krant. Meer dan dertig jaar was hij behandeld als een soort reclamefolderbezorger – ‘Goed dat je dit aanbrengt, Joop, maar we doen er nu even niks mee’ – maar in de afscheidsspeech van de hoofdredacteur werd hij gepromoveerd tot een onmisbare inspirator en vernieuwer zonder wie de krant allang onder de groene zoden lag. O, wat zouden ze hem missen. Alsof ze hem niet maandenlang achtervolgd hadden met fantastische afvloeiingsregelingen of once-in-a-lifetime aanbiedingen die hij echt niet kon weigeren. Als hij maar oprotte. Het ontbrak er nog aan dat ze in tranen uitbarstten.

Hij had zichzelf nog zo beloofd dat hij niet nóg eens vrijwillig naar zijn eigen grafrede zou gaan zitten luisteren, maar toen kegelden ze hem ook nog uit het bestuur van de partij waarvoor hij de benen uit zijn gat gelopen had. Omdat ze wisten van zijn voornemen, maakten ze er een verrassingsfeestje van. Geen loftuitingen – daar hield Joop per slot van rekening niet van – maar wel wat aandacht voor het leven ná dit leven. De voorzitter veronderstelde dat Joop nu wat meer tijd zou hebben voor zijn kleinkinderen en gaf hem voor de twee peuters van zijn dochter zes kleurpotloden en een gele auto mee. Op de onvermijdelijke envelop met inhoud was een otter getekend. De hint was duidelijk: dan kon hij eens gezellig met dat jong grut naar de dierentuin.

Na het applaus vroeg Joop het woord. Hij bedankte de aanwezigen hartelijk en had ook een verzoek: ‘Mag ik misschien bij het volgende afscheid het lijk zijn?’

Wekelijkse opdracht #262 schrijvenonline.org

Schrijf een kort verhaal met de volgende elementen: Een reclamefolderbezorger, twee peuters, een gele auto, zes kleurpotloden, een otter.

De eerste zin: Voor de tweede keer
dat jaar was hij aanwezig op zijn eigen begrafenis…

Trouwdag

Haar ogen strelen de japon. Met bevende vingers maakt ze de rits los en neemt hem van de hanger. Legt hem voorzichtig op bed, als was het haar geliefde.

Ze stapt uit haar nachtkleed en trekt de japon aan, doet geen moeite de rits te sluiten. Soepel valt de ivoor zijden stof om haar heen.

Draaiend voor de spiegel denkt ze zich zestig jaar jonger. Ze straalt. Straks zal hij komen.

Dan zet ze zich in een fauteuil bij het raam, drapeert de jurk over haar knieën en wacht en wacht en wacht …

Het geheim van de vlierbes

Ik loop het bospad af en merk niet dat mijn handen verschrompeld zijn tot vuisten.

Dan zie ik de vlierboom. Aan het eind van het pad staat ze, midden tussen de andere bomen, uitbundig te bloeien.

Zachtjes loop ik op haar toe, open mijn handen en reik, staande op de tippen van mijn tenen, naar een van haar takken. Trek hem naar me toe en verberg mijn gezicht in de geurige bloesem.

Mijn spieren ontkrampen en dankbaar snuif ik het zoete lieve leven in.

Het smalste stuk

Hij ergert zich aan engtes.

Bushaltes met teveel wachtende reizigers op te smalle trottoirs, te nauwe doorgangen in de supermarkt waar pallets en winkelwagens hem hinderlijk in de weg staan. Koffers in het gangpad, schoenen op de trap. En nu sta ík weer eens de opening van de keukendeur te blokkeren.
‘Waarom staat iedereen altijd op het smalste stuk?’ moppert hij.
Maar ik begin te stralen, strek mijn armen naar hem uit en zeg, terwijl ik hem omhels:
‘Niets liever dan jou tegenkomen op het smalste stuk!’

Vijf over twaalf

1 maart 2039

Met de stijfheid ging het vandaag gelukkig een stuk beter dan gisteren. Die oefeningen, ’s morgens voor ik mijn bed uit rol, helpen goed; eerst fiets ik wat in de lucht. Dan zwieper ik mijn benen over de rand van het bed zodat ik bijna vanzelf tot zit kom – trucje van de fysio-digipeut. Ik probeer altijd mijn voeten in één vloeiende beweging in mijn pantoffels te krijgen; hoe oud een mens ook wordt, hij heeft zijn uitdagingen nodig 🙂

Vanavond heb ik een reportage bekeken over de klimaatspijbelaars van twintig jaar geleden. En hoe die uiteindelijk een hele generatie politici voortijdig op pensioen hebben gestuurd, ook al was dat destijds nog tegen de trend in.
Ik weet nog goed hoe ik daar zelf liep tijdens een van die grote klimaatmarsen in Brussel, met mijn karton waarop ik een poging had gedaan een wereldklok te tekenen. De tijd: vijf over twaalf. En een demonstrant die me daarover aansprak. Hij dacht dat ik me in het uur vergist had.

Vanavond ga ik niet te laat naar bed.
Vóór twaalven lig ik erin…

Schrijvenonline opdracht # 235: Schrijf in 300 woorden een pagina uit je dagboek van 2039.

De gluurder

De mail van de juf aan de bibliotheek was duidelijk:

Een oude man aan de overkant schoot vanuit zijn raam plaatjes van onze klas toen we de  bieb verlieten. We schakelen de politie in.

‘Ik zal met hem gaan praten,’ mailde ik terug.

Nu zit ik met haar klacht in zijn woonkamer. Over zijn bril heen kijkt hij me aan met een mengeling van verbazing en verdriet.

‘Mijn vader doet geen kwaad,’ komt zijn dochter tussenbeide en in haar ogen deemstert spijt.

‘Zijn herinneringen zitten in de foto’s. Zonder die foto’s is hij zijn geheugen kwijt.’

Geluksmuntje

Met een metaaldetector in de ene en een schepje in de andere hand zoekt hij de bosgrond af.

‘Wat zoekt u?’ vraag ik.

‘Ik zoek munten,’ antwoordt hij en uit zijn accent begrijp ik dat hij niet van hier is.

‘Heeft u al veel gevonden?’

Hij legt zijn gereedschap neer en diept uit zijn zak wat kleingeld op. Kiest een 50-centsstuk uit en steekt het me toe.

‘Voor u,’ zegt hij simpelweg.

Met een glimlach neem ik het aan en zeg:

‘Gelukkig nieuwjaar.’

Het laatste uur van Sjmoëel Asj

Sjmoeël Asj richtte zich op, reikte naar de krukken die in een soort paraplubak naast zijn rieten ligbank stonden en trok zich moeizaam overeind. Stapte voetje voor voetje naar zijn bureau en dacht aan Gersjom Wald, de oude getekende man die hij meer dan vijftig jaar geleden drie maanden lang dagelijks van vijf uur ’s middags tot elf uur in de avond gezelschap had gehouden. Luisteren naar zijn theorieën over zionisme en hem van repliek dienen, dat was waarvoor hij aangenomen was. Luisteren en tegenspreken. Omdat tegenspraak een mens in leven hield.
En aan Atalja natuurlijk. Dochter van Sjealtiël Abarbanel, schoondochter van Gersjom en weduwe van Micha. Atalja die hem gedoogd had, aangetrokken, verzorgd, bemind en weggestuurd.
‘Misschien ga je op een dag nog eens iets voor ons schrijven over die armzalige joden en veroordeel je hun armzaligheid van geest,’ had Gersjom gezegd. ‘Misschien verwerk je ook Judas Iskariot in je verhaal.’
Meer dan over verraad te schrijven was Sjmoeël een verrader gewórden. Verrader van zijn opdracht helderheid te verschaffen. Verraad aan Atalja, die hij had willen verlossen uit haar kille cynisme. Aan wie hij heimelijk beloofd had haar niet te zullen vergeten maar aan wie hij jarenlang niet had gedacht.
Geen haar beter was hij dan Sjealtiël Abarbanel, die de stichting van de staat Israël veroordeeld had maar na zijn dood geen snipper van zijn beweegredenen had nagelaten. Geen spaan wijzer dan Jezus, die zich door Judas om de tuin had laten leiden en dat pas beseft had in zijn stervensuur. Of dan Judas, die op datzelfde moment begrepen had dat hij vooral zichzelf verraden had.
Voorzichtig liet Sjmoeël zich op de stoel zakken en steunde met zijn ellenbogen op het bureaublad. Keek naar de oude telefoon, nam de hoorn van de haak en beroerde even de draaischijf, maar besloot dat er niets meer te zeggen viel. Een kruk gleed op de grond. Sjmoeël boog zijn hoofd, sloot zijn ogen en blies voor de laatste keer zijn adem uit.

#188 Hoe laat jij iemand sterven in een verhaal? Schrijf een sterfscène in 350 woorden. Gebruik een personage uit een verhaal dat je zelf schreef, of neem een personage uit één van je lievelingsboeken.

Boek: ‘Judas’ van Amos Oz