Elke dag een beetje Pasen

Het is nog donker als de eerste vogels zingen

de nacht voorbij, de dag nog niet ontwaakt

achter mijn oogleden huist nog de duisternis

 

dan kriekt de ochtendzon door het gordijn naar binnen

mijn zwarte nachtgedachten lossen op in licht

een stem roept: ‘Kom, een nieuwe dag begint!’

 

Ik sla mijn ogen op, laat zacht het nachtkleed

van mijn schouders glijden

en ik sta op, het daglicht tegemoet.

 

ook verschenen op de digitale Kerkmozaïek

Russische zomers

‘Mag ik u iets vragen?’ zegt de man.

Hij laat me geen kans om ja of nee te zeggen, maar steekt direct van wal: ‘Weet u dat de zomers in Rusland zeer warm zijn?’

Ik ben hem eerder tegengekomen. Ook toen begon hij zonder ophouden te praten. Over ecologie, de toestand van de wereld. De slechte invloed van de mens op het klimaat.

‘Wilt u misschien een eindje met me oplopen?’ stel ik dus voor. Hij knikt – blijkbaar vindt hij dat leuker dan zelf ergens naartoe te gaan.

Al stappend voert hij me opnieuw de aardbol over. Van de Russische zomers naar overstromingsgebieden in Cambodja en Vietnam, van de Belgische kust naar bamboekwekerijen in de Lage Landen.

Bij het kruispunt blijven we staan. Verontschuldigend wijs ik naar het groene licht, maar hij blijft praten. Ik geef hem twee lichten de tijd. Bij de derde keer groen zet ik een voet op het zebrapad.

Snel spuit hij nog twee zinnen. Juist voor het rood wordt zwaai ik hem gedag.

Vanaf de overkant zie ik hoe hij zijn weg vervolgt. Weer andere mensen tegenkomt. Nieuwsgierig houd ik mijn pas in en kijk of hij ook hen met zijn verhalen zal bestoken.

60 minuten zonder…

Het lijkt wel een nationale gedragscode voor wie met het openbaar vervoer reist: je stapt in, ontwaardt je O.V.-kaart, zoekt een zit- of staanplaats, haalt je smartphone tevoorschijn, veegt met je vingers over het scherm en verdwijnt met al je aandacht in wat daarop te beleven valt.

Gezeten te midden van zo’n eilandengroep vroeg ik me onlangs af hoe het er in de coupé zou uitzien als iedereen een keer die smartphone in zijn zak zou houden. Zouden we massaal onze ogen op onze schoenen richten – zoals we vroeger deden – of zouden we het aandurven over te steken naar de schoenpunten van onze medereizigers? Om van daar af langs broekspijpen en jasknopen op te klimmen. Op zoek naar andere ogen. Op weg naar een menselijk gezicht.

ook verschenen op de digitale Kerkmozaïek

Rozenknop

We hebben gegeten, gedronken en gevreeën,

de lakens afgehaald, de glazen omgespoeld,

de vuile borden op het aanrecht neergezet.

 

We hebben de koffer ingepakt, onze schoenen

aangedaan de deur achter ons dicht getrokken.

 

Hand in hand zijn we naar het station gelopen.

Toen de trein kwam, kusten we elkaar tot ziens

en in jouw hand vond ik een rozenknop.

Love hurts

Ik zou over liefde schrijven, maar steeds worden mijn gedachten doorkruist door inktzwarte hanenpoten die een wereld schetsen van muren, minachting en egocentrisme. In een pennenstreek worden de essentiële menselijke vrijheden, waarvan Franklin Delano Roosevelt in 1941 sprak[1] en die de basis vormen voor een veilige wereld, vertrappeld en wordt de rechtsstaat met voeten getreden. Dromen veranderd in nachtmerries, leugens als waarheid verkocht. Genadeloos wordt aan het licht gebracht hoe flinterdun onze beschaving is.

Meer dan ooit besef ik dat liefde meer is dan warme gevoelens die opbloeien bij zoetgevooisd snarenspel. Liefde is ook het delen in de pijn van mensen die radeloos een veilig heenkomen zoeken en aan wie meedogenloos de toegang wordt ontzegd, verbijstering en ongeloof wanneer de fundamenten van een leefbare samenleving doelbewust worden ondermijnd en, onder het mom van veiligheid, het eigen belang schaamteloos wordt vooropgesteld.

Die gepijnigde liefde roept op niet langer te zwijgen, maar in verweer te komen tegen de doelloze woede van een Angry Old Man en een ieder die in zijn voetsporen treedt.

In navolging van Bill de Blasio, burgemeester van New York, die zijn stad onverdroten solidair verklaart met allen die te vrezen hebben van dreiging en geweld. Of van Madeleine Albright, voormalig Amerikaans minister van Buitenlandse Zaken, die zich uit solidariteit als moslim zal laten registeren als Trump zijn registratieplannen voor moslims doorzet (dS 26-01-2017).

Liefde is meer dan warme gevoelens bij zoetgevooisd snarenspel. Vastberaden zoekt ze haar weg in de bittere ongerijmdheid van de realiteit.

 

[1] Die vier vrijheden zijn: de vrijheid van spreken en meningsuiting, de vrijheid van elk persoon om god te aanbidden op zijn eigen manier – overal in de wereld, de vrijwaring van gebrek en de vrijwaring van vrees.

Zie ook Kerkmozaïek

Woorden bij een begin

Ik houd van woorden, van zinnen die je op hun bedwelmende ritme in poëtische sferen weten te brengen en je uittillen boven de dagdagelijkse werkelijkheid. Woorden die het  ondraaglijke draagbaar maken, het onzegbare tastbaar.

Het begin van een nieuw jaar is het moment bij uitstek voor mooie woorden. Zelf schreef ik ze ook: wensen voor een goede gezondheid, liefde, geluk en vrede voor iedereen. Maar elk jaar vind ik het moeilijker iets goeds te formuleren – en dat niet alleen uit oogpunt van originaliteit. Steeds vaker vraag ik me af hoe gratuit dit soort wensen moeten klinken in de oren van zovelen die vastzitten in de brandhaarden van deze wereld, op de vlucht voor oorlog, honger en geweld. Hoe ze te rijmen zijn met de grote zorgen over ons klimaat, racisme, de wereldvrede – om maar eens wat te noemen. Geloof ik die mooie woorden zelf nog wel?

Gisteren las ik in het boek ‘Een verhaal van leven en duisternis’ van Amos Oz:

‘En eigenlijk is deze vreemde drang die ik had toen ik klein was – de behoefte om een nieuwe kans te geven aan wat nooit meer een nieuwe kans zou krijgen – ook nu nog een van mijn drijfveren telkens als ik een verhaal ga schrijven.’

Die zin zette me aan het denken.

Wat met het verleden kan, kan nog beter met de toekomst: woorden spreken die hoop en nieuwe kansen bieden aan wat uitzichtloos en kansloos lijkt.

Wie niets meer weet te wensen, heeft de hoop opgegeven.

Dus laten we elkaar alle goeds toewensen en er vervolgens werk van maken.

In die geest wens ik een ieder die dit leest een in alle opzichten vreugdevol nieuw jaar.

Stapels boeken in een klein kastje

Iets meer dan twee jaar geleden kocht ik een e-reader. Niet omdat ik er per se een wilde hebben, maar uit nieuwsgierigheid. En omdat ik niet vroegtijdig al een vreemdeling wilde zijn in digi-land.
Ik laadde hem op en zocht op internet naar gratis e-books – je bent Nederlander of je bent het niet. Het eerste boek dat ik erop zette was ‘Dik Trom en zijn dorpsgenoten’ van C. Joh. Kieviet. Een boek dat ik vroeger vooral zo mooi vond omdat mijn oma het in haar jonge jaren als kindermeisje had voorgelezen. Mijn gedownloade versie was de 5e druk uit 1930. Ik begreep direct de diepe wijsheid van Mattheüs 9:17.
Gelukkig bood de bibliotheek uitkomst. Een van de boeken die ik in mijn digitale boekenkast zette, was ‘Een vrouw op de vlucht voor een bericht’ van David Grossman. In een mum van tijd een boek van meer dan 600 bladzijden op een tablet van nog geen centimeter dikte.

Hoewel een e-reader daarmee natuurlijk hét medium is om stapels boeken mee op reis te nemen, ben ik er om een heel andere reden voor gevallen: er zit een lampje in. Op warme zomeravonden, als het te donker wordt om nog buiten te lezen maar het nog te aangenaam is om al naar binnen te gaan, knip je het lichtje aan en je kunt lezen tot diep in de nacht.

Heeft het papieren boek nu voor mij afgedaan?
Geenszins! Soms wil ik gewoon wat door mijn boek bladeren, teruglezen of vooruit. Dat gaat met een e-book niet zo gemakkelijk. En ik mis de sporen op het papier die me niet alleen vertellen dat ik het gelezen heb, maar me ook herinneren aan wáár ik het las en wat het me deed: resten van koekkruimels, gesmolten chocolade. Een wijnvlek, een platgedrukt vliegje dat net niet aan het omslaan van de bladzijde had weten te ontkomen. Ezelsoren, sporen van tranen misschien.
In een e-book kan de schenker op het titelblad geen boodschap achterlaten, de schrijver geen signatuur.
De e-reader is mijn handzame, lichtgewicht reisgenoot – ik zou hem niet graag missen.

Maar als ik kiezen moet? Geef mij dan maar een boek!

Dit artikel is verschenen in Kerkmozaïek, november 2016

Schaduwen achter matglas

Nu het nacht was, kon hij in zijn eentje over het erf zwerven, tussen de schuren en de kippenhokken, kon hij langzaam heen en weer lopen langs het met gele lantaarns verlichte hek, kon hij even gaan zitten op een omgekeerde kist bij de smederij en verzinken in nachtgedachten[1].

Zijn nachtgedachten draaiden om zijn vrouw Leila. Of beter gezegd, om het verraad van zijn vrouw Leila. En om de vraag hoe lang ze zou kunnen zwijgen. Of hoe lang híj zou kunnen zwijgen, over wat hij ontdekt had toen hij op een avond naar huis was teruggekeerd om een nieuwe batterij voor zijn zaklamp op te halen. De schaduwen van verstrengelde lichamen had gezien achter het matglas van de deur. Hoe hij gewacht had tot ze naar de woonkamer geschuifeld waren en hij tussen de gordijnen door had gezien dat ze het waren. Dat hij met stomheid was geslagen maar tegelijkertijd niet kon begrijpen dat hij het niet eerder had vermoed. Haar hernieuwde vitaliteit, de stralende ogen waarmee ze hem de nacht in zwaaide.

Waarom hij in vredesnaam was blijven staan toen beneden de lichten doofden en even later in de slaapkamer het nachtlampje werd aangeknipt. Zich voorstelde hoe zij zich voor hem uitkleedde – haar lippen op de zijne – en langzaam zijn overhemd losknoopte. Zijn broek afstroopte en zijn hemd over zijn hoofd streelde. En of het beter was te vragen of te zwijgen.

[1] Uit: ‘Onder vrienden’ van Amos Oz, blz 120/121.

 

Wekelijkse schrijfopdracht #115 door schrijfcoach Odile Schmidt (schrijvenonline.org):

Pak een lievelingsboek uit de kast, open het op een willekeurige bladzijde. Kies een zin als begin van een kort verhaal en schrijf het in maximaal 300 woorden. Let erop dat je jouw schrijfstijl aanpast aan de zin.

Spullenhulp (4)

Mijn ontspulwoede was langzaam maar zeker gesmoord in de zomerhitte. Dat dacht ik tenminste. Totdat er op een lome avond in augustus een minuscuul beestje over een van mijn keukenkastjes kroop. En ik er daarna ook één op de tegels zag lopen. En ín het kastje.

Ik determineerde de beestjes tot op het bot: bruin schildje, zes á acht minieme pootjes, een lengte van ongeveer 2 millimeter. Met die gegevens toog ik naar de computer, op zoek naar afbeeldingen van ongedierte in de keuken. Onze huisgenootjes leken nog het meest op een meeltor. Ongevaarlijk, maar je wilt ze toch liever niet in je spaghetti.

Dus haalde ik één voor één mijn keukenkastjes leeg, sopte, rangeerde, gooide weg en zette weer terug. Kocht de volgende dag wat stapelbare bewaardozen en deed daar mijn hele pastavoorraad in.

Mijn kastjes zien er nu prachtig uit. Bijna maakte ik er een foto van, maar bedacht me juist op tijd. Want wat moet ik in vredesnaam met al die foto’s?

Parade-perikelen

Brussels politiechef Guido Van Wijmersch laat in De Standaard van vandaag optekenen dat hij wil dat iedereen donderdag (21 juli – AB) ondanks de terreurdreiging naar de hoofdstad afzakt. Thuisblijven staat volgens hem gelijk aan toegeven aan Islamitische Staat. ‘En dat mogen we nooit doen.’

Maar wat is er eigenlijk mis met bang zijn?

‘Bang zijn is niet slecht. Het is een gezonde emotie,’ zegt kinderpsychiater Peter Adriaenssens in dezelfde krant.

Angst maakt alert, fungeert als antenne voor gevaar. Zolang het niet ontspoort, kan angst een goede raadgever zijn.

Wie vanwege de recente aanslagen grote menigten liever mijdt, geeft daarmee niet automatisch toe aan IS. Eerder weegt hij af of het bijwonen van een – zwaar beveiligde – militaire parade wel opweegt tegen het risico slachtoffer te worden van een aanslag.

Zo bezien geen moeilijk afweging, lijkt me.Belgian_colours_in_heart_shape

20 juli 2016