Spullenhulp (3)

Ik ging alleen maar even kíjken in die kledingwinkel. Gewoon wat langs de rekken lopen, verder niets. Maar vijf minuten later sta ik al met twee broeken en een jurk in een pashokje. Flink afgeprijsd, dat wel.

Een broek heb ik min of meer nodig, die jurk is alleen om even te kijken hoe hij staat.

Hij staat me geweldig. Valt soepel, accentueert wat hij moet accentueren en verdoezelt wat hij moet verdoezelen. En wat kleurt hij mooi bij mijn grijze haar!

Uit alle macht probeer ik mezelf terug te fluiten: moet je die jurk alleen maar hebben omdat hij voor jou lijkt te zijn gemaakt? (ja!). Omdat hij zo goedkoop is? (natuurlijk, zo’n jurk vind ik nergens meer voor die prijs). En wanneer draag je zoiets? (moet ik dat echt nú al weten?).

Maar dan doemt de enige vraag op die er echt toe doet: was je niet aan het ontspullen?

Verslagen verdwijn ik achter het gordijn, trek de jurk uit en hang hem weer in het rek.

Maar doe mezelf een belofte: als ik spijt krijg, kom ik terug.

©2016, Annet Buurman

Voetbalgeschiedenis

WK 2014

Nederland – Mexico bij de stand 0-1

We zitten met zijn drieën op de bank. Voor de tv. Met het hoofd in de handen en de ellebogen op de knieën. En bereiden ons voor op de wissel die we over pakweg een kwartier moeten gaan maken: het oranjegevoel eruit, het rode duivelssentiment erin. De tweede keuze als schrale troost.

We tellen de minuten af. Nog zeven.

En dan dat schot  van Wesley Sneijder, de bal linea recta in het doel. We veren op. Het kán dus nog!

De spanning op de thuisbank stijgt. Minuten worden omgerekend naar seconden.

En dan ligt-ie daar ineens. Arjen Robben. Op de grasmat. Precies binnen de lijntjes. Het ging zodanig vlug dat we het niet eens zagen gebeuren. Voor we van onze verbazing zijn bekomen ligt de bal al op de stip.

We zien hoe Huntelaar zich opstelt achter de bal, zijn ogen gefixeerd op het doel. En hoe Mexicanen op de tribune hun gezicht verbergen achter hun handen. Wéten die niet dat Hollanders zo’n strafschop meestal missen?

En dan die aanloop. Dat schot. Het doelpunt. Armen gaan omhoog en onze zoon rent met een oude scheepstoeter het terras op om zijn vreugde over Brussel uit te blazen.

‘Had je het gedacht?’ vraag ik aan mijn echtgenoot.

‘ Ik niet,’  zegt hij. ‘En jij?’

‘Eerlijk gezegd … ‘ik ook niet.’

En nu kijken we uit naar onze gedroomde halve finale: Nederland-België. Als die droom uitkomt, kan de Cup ons bijna niet meer ontgaan.

Dus: ‘Hup Holland hup!’ En als dat teveel gevraagd is: ‘Vive les Diables Rouges!’

© 2014 Annet Buurman

Spullenhulp (2)

Ik begon mijn ontspul-project bij twee kratten vol boeken en papieren die sinds vorig jaar al genomineerd waren het pand te verlaten. Tegen het advies van de opruimgoeroes in spitte ik ze toch nog even door en kwam leuke dingen tegen. Zonder wroeging zette ik een boek van Simon Wiesenthal – ‘Vlucht voor het noodlot’- en de fabels van La Fontaine weer terug in de boekenkast, ook al had ik ze geen moment gemist.

Een brief van Libelle, geschreven in 1986, met de mededeling dat de redactie de door mij ingestuurde kortverhalen wel aardig vond maar wat te kort voor publicatie, bracht me op een idee. Wie weet zien ze wel wat in een  novelle…

@ juni 2016, Annet Buurman

Spullenhulp (1)

Er is een nieuw maatschappelijk probleem gedefinieerd: we hebben teveel spullen. Zoveel zelfs, dat we erin dreigen te verzwelgen. Er moet dus worden opgeruimd.

Maar opruimen klinkt niet erg sexy. Slimme geesten hebben daar iets op gevonden, een simpel doch trendy werkwoord dat precies zegt wat het is maar dat desondanks met de nodige psychologische onderbouwing op wetenschappelijk niveau wordt getild. Ontspullen.

De boeken die er inmiddels over verschenen zijn beloven een opgeruimd hoofd in een ontspuld huis.

En het wérkt: waar ik bij opruimen bij voorbaat al door futloosheid wordt geveld, vervult ontspullen me met onvermoede energie.

Ik geloof erin. Ik ga eraan beginnen!vuilniszak

© Annet Buurman, mei 2016

Waar gebeurd

Het was in de tijd van vóór de grote aanslagen, toen er op het Zuidstation in Brussel nog geen militairen patrouilleerden en je alleen moest oppassen voor zakkenrollers.

In afwachting van mijn trein had ik me aan een tafeltje gezet in één van die kleine coffeeshops naast de aankomst- en vertrekhal en me te goed gedaan aan een  cappuccino. Juist wilde ik opstaan toen er een man op me toekwam. Hij zag er wat verfomfaaid uit.

‘Mag ik bij u komen zitten?’ vroeg hij.

Nog voor ik ‘nee’ had kunnen zeggen, was hij al bij me aangeschoven.

Hij begroef zijn handen in zijn haar en zuchtte.

‘Al vier dagen voel ik geen angst,’zei hij na een poosje. ‘En ik wil weten wat  daarvan de bedoeling is.’

Verwachtingsvol keek hij me aan.

‘Ik begrijp het niet,’ vervolgde hij toen ik bleef zwijgen. ‘Want ik ben altijd bang.’

Koortsachtig zocht ik naar iets  te zeggen.

‘Misschien is er geen bedoeling,’ probeerde ik.

Zijn donkerbruine ogen klaarden op.

‘Dat is het!’ riep hij uit.

Hij stond op, schudde blij mijn hand en liep met verende tred de bar uit.

 

© april 2016

De verdoofde stad – 22 maart 2016

het komt goed, zegt ze juist voor we afscheid nemen
en ik de stad instap
die ik zojuist nog dacht te kennen
maar die eensklaps een vreemde is

de straten leger, de stemmen stiller ik
zie onbekenden aan en
kan feilloos hun gedachten lezen

het komt goed, zegt ze, we laten ons niet kisten
maar hoop vindt nog geen grond in mij

langs wegen van vervreemding loop ik
te zoeken naar woorden
maar vind ze niet

© maart 2016

Eerste stappen in het ochtendgroen

het is koud, donker en verlaten
de stille kilte van de stenen in mijn lijf
ik richt mijn ogen naar omhoog
maar ik zie niets
mijn nek doet pijn
wie komt mij bevrijden?

ik ben alleen, zonder houvast
en ik ben bang
dat ik vergaan zal als de bladeren in de put
verstrikt zal raken in het web van boze spinnen
verslonden door een uitgehongerd legioen

ik roep, alleen mijn echo antwoordt mij
ik sla mijn armen om me heen en sluit mijn ogen
het is voorbij, het duister neemt bezit van mij

maar dan kruipt, aarzelend, wat licht naar binnen
het zonlicht raakt me zachtjes aan en ik ontwaak
ik snuif de geur van bloemen op die rond de putrand staan

laat me nog even wenen. Stil zijn. Sterven.

straks, als het tijd is
zal ik zelf naar boven gaan
de ladder vinden die voor mij verborgen leek
mijn eerste stappen zetten in het ochtendgroen

een psalm voor de Veertigdagentijd

annet buurman

Iets geks

Er was iets geks met die kamer van mijn vader. Mijn moeder kwam er nooit, zelfs niet om schoon te maken. Ook mij verbood ze om hem te betreden. Elke zaterdag zette ze zwijgend een emmer sop en een zwabber voor de deur, en hing ze een stofdoek over de deurklink. Mijn vader nam dat dan mee naar binnen. Aan het eind van de ochtend zette hij alles weer exact zo terug als hij het aangetroffen had en ruimde mijn moeder de boel weer op. Maar voor ze het water door de put gooide, controleerde ze altijd of het vuil was en de stofdoek sloeg ze zo driftig uit dat hij daar meer van sleet dan van het hele stoffen zelf. Meestal maakte mijn vader zich spoorslags uit de voeten, maar soms bleef hij staan en sloeg haar van op een afstand gade. Dan zag hij eruit alsof hij zelf uitgeslagen werd.

Uit: ‘Valavond’

Gedichtendag: Bibbeleboek

Een boek maakt me blij
een boek doet me wenen,
een boek laat me dwalen
in het diepst van mijn ziel

Een boek laat me kijken
door andermans ogen,
een boek laat me kruipen
in andermans hoofd

Een boek geeft me vleugels
voert me mee, laat me zweven.
Een boek woelt me los
uit mijn kleine bestaan

Een boek toont me
lengte en breedte en diepte,
een boek geeft me ruimte
vertelstof, verstaan.

Een boek is beschreven papier
in een omslag,
genummerd, geletterd
een titel, een naam.

Een boek geeft me woorden
voor wat niet is te vatten,
hoe zouden we zonder boeken
bestaan?

© Annet Buurman, 06-2014

Weg

In de coupé klonken de gebruikelijke geluiden: geritsel van kranten, het getik van vingers op de toetsen van een laptop, een mobieltje dat afging en twee meiden die hun huiswerk en de leraren op school bespraken. Tegenover hen zat een man rustig in een tijdschrift te bladeren.
De deur van de coupé werd opengeschoven en twee conducteurs betraden de coupé.
‘Kaartjes alstublieft.’

De hele treincoupé kwam in beweging. Ook de meisjes diepten, al babbelend, hun plaatsbewijzen op. Maar plotseling stokte het gesprek en keken ze voor het eerst echt naar de man. Die leek te zijn verstijfd. Het enige wat aan hem bewoog was zijn gezicht. Of, beter gezegd, een deel van zijn gezicht. Zijn mond vertrok onafgebroken in een grimas, maar zijn ogen lachten niet mee. Staarden niets ziend in de verte.
‘Meneer,’ zei één van de meisjes zacht. ‘De conducteur komt eraan.’
‘Maar hij verroerde zich niet. Bleef zitten als een wassen beeld, met alleen die grimas en die nietsziende ogen.’
‘Hij doet raar,’ zei het andere meisje verschrikt.
‘Hij heeft een fugue denk ik. Daar heb ik weleens iets over gelezen.’

De conducteur stond nu naast hen. Ze toonden hem hun abonnement. Toen keken ze alle drie naar de man die niet bewoog en niets zag. Alleen zijn mond in een grimas trok.
‘Hij heeft een fugue denk ik,’ zei het meisje weer. ‘Dat gaat vanzelf weer over.’
De conducteur knikte. ‘Dan laten we hem maar.’
Toen de conducteurs het rijtuig aan de andere kant verlieten, ontwaakte de man als bij toverslag. Hij glimlachte naar de meisjes en deze keer deden zijn ogen wel mee.

‘Bedankt,’ zei hij toen. ‘Ik koop zelden een kaartje, maar dit werkt altijd.’